-
1 lean years
-
2 lean
adj. mager, schraal; karig, armzalig--------n. mager (vlees); neiging--------v. leunen; overhellen; zetten; steunen; aanleunen; ombuigen; buigen, verbuigenlean1[ lie:n] 〈zelfstandig naamwoord; geen meervoud〉1 schuinte ⇒ schuine/scheve stand, (over)helling♦voorbeelden:————————lean2〈bijvoeglijk naamwoord; leanness〉2 karig ⇒ arm(zalig), weinig opleverend♦voorbeelden:lean years • magere jaren————————lean31 leunen ⇒ steunen, steun zoeken♦voorbeelden:lean over to someone • zich naar iemand overbuigen¶ 〈 figuurlijk〉 lean over backwards • zich in (de gekste) bochten wringen, alle mogelijke moeite doenII 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden: -
3 on
adj. aan--------adv. verder; vooruit; vooruitgaan--------prep. op; aan; over; langson1[ on] 〈zelfstandig naamwoord; the〉————————on2II 〈 bijvoeglijk naamwoord, predicatief〉2 aan de gang ⇒ gaande, te doen3 op 〈 toneel〉♦voorbeelden:what's on tonight? • wat is er vanavond te doen?, welke film draait er vanavond?, wat is er op tv vanavond?5 oil on to \\td16 • olie stijgt tot \\td16¶ I'm on! • okay, ik doe meeyour plan is not on • je plan(netje) gaat niet doorthe wedding is on • het huwelijk gaat dooryou're on • daar houd ik je aan!————————on3〈bijwoord; vaak predicatief〉1 in werking ⇒ aan, in functie4 〈plaats- of richtingaanduidend; ook figuurlijk〉op ⇒ tegen, aan, toe♦voorbeelden:what's going on? • wat is er aan de hand?have you anything on tonight? • heb je plannen voor vanavond?leave the light on • het licht aan latenput a record on • zet een plaat opturn the lights on • steek het licht aanput on your new dress • trek je nieuwe jurk aan3 five years on • vijf jaar na dato/latercome on! • schiet op!get a move on! • maak voort!go on! • ga maar door, toe!all clocks go on an hour tomorrow • morgennacht gaan alle klokken een uur vooruitthe circus is moving on • het circus trekt verderpass the news on • zeg het voortsend on • doorsturen, nazendenspeak on • door blijven pratenthey travelled on • ze reisden verderwalk on • doorlopenlater on • laterand so on • enzovoortwell on into the night • diep in de nachtwell on in years • op gevorderde leeftijd(talk) on and on • alsmaar door/zonder onderbreking (praten)on! • vooruit!from that moment on • vanaf dat ogenblikthey collided head on • ze botsten frontaalshe looked on • ze keek toe¶ on and off • af en toe, (zo) nu en dan————————on41 〈plaats of richting; ook figuurlijk〉op ⇒ in, aan, bovenop5 over ⇒ met betrekking tot, aangaande, betreffende6 ten koste van ⇒ op kosten van, in het nadeel van♦voorbeelden:the sun revolves on its axis • de zon draait om haar aslive on bread and water • leven van water en broodride on a bus • met de bus gaanstand on the chair • op de stoel staanstay on course • koers houdena stain on her dress • een vlek op haar jurkthey marched on the enemy • ze marcheerden op de vijand affate smiled on Jill • het lot was Jill gunstig gezindshe hurt herself on the ledge • zij bezeerde zich aan de randpay off a sum on the loan • een som op de lening afbetalentravel on a plane • met het vliegtuig reizenwar on poverty • oorlog tegen de armoedeannounced on the radio • op de radio aangekondigdon the right road • op de juiste wega shop on the main street • een winkel in de hoofdstraatencounter trial upon trial • de ene beproeving na de andere doorstaanget on the train • instappenhang on the wall • aan de muur hangenI had no money on me • ik had geen geld op zaklean on a friend • steunen op een vriendon your right • aan de rechterkanta house on the river • een huis bij de rivierwinter is upon us • de winter staat voor de deurjust on sixty people • amper zestig mensenarrive on the hour • op het hele uur aankomenpay on receipt of the goods • betaal bij ontvangst van de goederenon the stroke of midnight • klokslag middernachtcome on Tuesday • kom dinsdagon opening the door • bij het openen van de deuron reading the letter she fainted • (net) toen ze de brief gelezen had, viel ze flauwbe on duty • dienst hebbenbe on fire • in brand staanon holiday • met vakantieon sick leave • met ziekteverlofbeer on tap • bier uit het vaton trial • op proefhave a monopoly on shoes • een monopolie hebben van schoenenagree on a solution • tot een akkoord komen over een oplossingthe joke was on Mary • de grap was ten koste van Maryhis work has nothing on Mary's • zijn werk haalt het niet bij dat van Maryshe has a year on her opponents in age • ze is een jaar ouder dan haar tegenkandidatenthe glass fell and broke on me • tot mijn ergernis viel het glas en brakthis round is on me • dit rondje is voor mij→ be on be on/
См. также в других словарях:
lean years — years of need, years of lack, years in which needed supplies or goods were not available … English contemporary dictionary
lean — Ⅰ. lean [1] ► VERB (past and past part. leaned or chiefly Brit. leant) 1) be in or move into a sloping position. 2) (lean against/on) incline from the perpendicular and rest against. 3) (lean on) rely on for sup … English terms dictionary
lean — [[t]li͟ːn[/t]] ♦♦♦ leans, leaning, leaned, leant, leaner, leanest (American English uses the form leaned as the past tense and past participle. British English uses either leaned or leant.) 1) VERB When you lean in a particular direction, you… … English dictionary
lean — I. /lin / (say leen) verb (leaned or leant /lɛnt/ (say lent), leaning) –verb (i) 1. to incline or bend from a vertical position or in a particular direction. 2. to rest against or on something for support. 3. to depend or rely: to lean on empty… …
lean — 1. v. & n. v. (past and past part. leaned or leant) 1 intr. & tr. (often foll. by across, back, over, etc.) be or place in a sloping position; incline from the perpendicular. 2 intr. & tr. (foll. by against, on, upon) rest or cause to rest for… … Useful english dictionary
lean — lean1 [ lin ] (past tense and past participle leaned [ lind ] ) verb *** 1. ) intransitive lean forward/back/toward/across etc. to move your body so it is closer to or farther from someone or something, for example by bending at the waist: The… … Usage of the words and phrases in modern English
lean — I UK [liːn] / US [lɪn] verb Word forms lean : present tense I/you/we/they lean he/she/it leans present participle leaning past tense leaned UK [liːnd] / US [lɪnd] or leant UK [lent] / US past participle leaned or leant *** 1) [intransitive] to… … English dictionary
lean — lean1 S3 [li:n] v past tense and past participle leaned or leant [lent] especially BrE [: Old English; Origin: hleonian] 1.) [I always + adverb/preposition] to move or bend your body in a particular direction lean forward/back/over etc ▪ They… … Dictionary of contemporary English
lean — I [[t]lin[/t]] v. leaned (esp. brit.)leant, lean•ing, 1) to incline or bend from a vertical position: to lean out the window[/ex] 2) to incline, as in a particular direction; slant: The post leans to the left[/ex] 3) to incline in feeling,… … From formal English to slang
lean — lean1 /leen/, v., leaned or (esp. Brit.) leant; leaning; n. v.i. 1. to incline or bend from a vertical position: She leaned out the window. 2. to incline, as in a particular direction; slant: The post leans to the left. The building leaned… … Universalium
lean — I. verb (leaned; leaning) Etymology: Middle English lenen, from Old English hleonian; akin to Old High German hlinēn to lean, Greek klinein, Latin clinare Date: before 12th century intransitive verb 1. a. to incline, deviate, or bend from a… … New Collegiate Dictionary